De Westwall, die tussen 1936 en 1939 werd gebouwd en in totaal ongeveer 630 kilometer lang was, moest de opmars van buitenlandse troepen naar het Duitse Rijksgebied verhinderen. 450.000 mensen werkten mee aan de bouw van het complex, dat door de geallieerden de ‘Siegfriedlinie’ werd genoemd. Het strekte zich uit van Kleef aan de Nederlandse grens tot Grenzach-Wyhlen aan de Zwitserse grens. Er werd – tegen een kostprijs van 3,5 miljard Reichsmark – acht miljoen ton cement en 1,2 miljoen ton ijzer gebruikt. Er werden meer dan 18.000 bunkers, tunnels, loopgraven en tankversperringen gebouwd.

Het plan was om vijandelijke tanks tegen te houden met tankversperringen van betonnen drakentanden met een breedte van vier tot zes meter en een hoogte van één tot anderhalve meter. De soldaten in de bunkers moesten de vijand bestrijden met machinegeweervuur en antitankkanonnen. Bij het uitbreken van de oorlog was de Westwall echter slechts gedeeltelijk voltooid. Daardoor had hij weinig invloed op het verloop van de oorlog.

Luchtverdedigingszone West

Parallel aan de Westwall bouwde de Luftwaffe de luchtverdedigingszone (LVZ) West. Deze zou bestaan uit 60 luchtafweerbatterijen en lopen van Jülich tot Speyer. In het gebied van Dahlemer Binz is een LVZ-installatie bewaard gebleven, bestaande uit kabelputten voor het telefoonnetwerk, waterbunkers en een voormalige luchtafweerstelling. Met luchtafweergeschut moesten vijandelijke luchtmachtgroepen worden bestreden en worden gedwongen omhoog te vliegen. Omdat het verbruik van vliegtuigbrandstof bij het stijgen toeneemt, zou de actieradius van de machines worden beperkt – dat was tenminste het plan.