Lang voor de systematische aanleg van wegen ontwikkelde zich een netwerk van paden waarbij werd uitgegaan van de natuurlijke omgeving. Ook de Romeinen maakten hiervan gedeeltelijk gebruik. In de omgeving van Jülich is er een opvallende concentratie van drie aardwerken van de Michelsbergcultuur, die steeds met zo’n vijf kilometer ertussen langs de latere Via Belgica liggen. De grootste en meest recente van deze vindplaatsen (rond 3500-3000 v. Chr.), met een diameter van ongeveer een kilometer, bevindt zich op het tracé tussen Stetternich en Jülich.

Een aardwerk is een terrein dat wordt omsloten door greppels – vaak ook door wallen en palissades. Bij de onderbrekingen in de greppels gaat het om aardbruggen, d.w.z. poorten waardoor men het binnenste van het complex kon betreden. De greppels waren tot tien meter breed en de afstand ertussen bedroeg zo’n 15 meter. In totaal was het ovale gebied inclusief de greppels ongeveer 36 hectare groot.

De functie van de Michelsbergse aardwerken is echter nog onbekend. Aangenomen wordt dat ze dienden als marktplaats en ontmoetingsplaats, toevluchtsoord of weiland voor de naburige nederzettingen. Toen de Via Belgica in de Romeinse tijd werd aangelegd, was er niets meer te zien van het aardwerk van Stetternich. Tot die gedenkwaardige vlucht in de jaren 1960 ...