Tot het einde van de 18e eeuw woonden er echter niet meer dan drie joodse families tegelijk in Münstereifel, omdat de instroom beperkt was: Joden moesten bij de hertog van Jülich een toegangsvergunning aanvragen. Tot in de 18e eeuw begroeven de Joden hun doden op een niet-goedgekeurde plek in het Hardtwald.
Met de invasie van de Fransen in 1794 veranderden de omstandigheden en trokken steeds meer joodse families naar Münstereifel. Daardoor moest er een nieuwe begraafplaats worden aangelegd: de joodse begraafplaats in Quecken. De oudste graven bevinden zich in het hoogst gelegen deel. De grafinscripties zijn volledig in het Hebreeuws.
De Joden integreerden steeds meer, namen deel aan openbare feesten en waren actief in verenigingen. Met de integratie nam het aantal Duitstalige inscripties toe, die sinds het begin van de 20e eeuw de overhand hebben. Hoeveel mensen hun laatste rustplaats op de joodse begraafplaats hebben gevonden, is onbekend. Sommige graven zijn verloren gegaan, sommige inscripties zijn niet meer leesbaar, wat ook te wijten is aan de vernielingen tijdens de pogromnacht in 1938.
De gedenksteen op de joodse begraafplaats herinnert aan de gedeporteerde Joodse burgers. Er staan 19 namen op vermeld, maar het aantal slachtoffers was groter. Ludwig Kaufmann schonk de steen in 1961, toen de vereniging Alter Münstereifeler de Joodse begraafplaats, die na 1932 niet meer werd gebruikt, volledig liet restaureren.