De middeleeuwse “Siechenkapel”, de ziekenkapel bij Rövenich heeft de tand des tijds overleefd. Ze werd gebouwd tijdens de grote epidemieën van de 15e eeuw en ligt naast de Romeinse Via Agrippa waar een moderne rijksweg overheen werd aangelegd.

Net als veel andere Romeinse wegen bleef de Via Agrippa in de middeleeuwen in gebruik. In die tijd werden langs zulke verkeersroutes verpleeghuizen gebouwd voor mensen die leden aan de pest, lepra of andere besmettelijke ziekten, zo ook voor de poorten van Zülpich. Ze leefden daar – geïsoleerd – van aalmoezen en van wat mensen hen gaven. Om ervoor te zorgen dat de zieken genoeg bij elkaar konden bedelen, lagen deze leprozenhuizen vaak op drukke kruispunten zoals hier.

In 1486 werd de kleine nederzetting voor zieken bij Rövenich gesticht door de rijke Elisabeth von Brohl. Ze bestond uit zes leprozenhuisjes, een herberg voor zieken en een kapel. Aan het einde van de 17e eeuw kwam er geleidelijk een einde aan het tijdperk van de grote epidemieën. Criminelen gebruikten de leprozenhuizen steeds vaker als schuilplaats. De gedeserteerde soldaat en rover Matthias Garding vond hier bijvoorbeeld aanvankelijk onderdak. Vanaf 1708 werd de bevolking opgeschrikt door een reeks overvallen en moorden die blijkbaar door zijn bende waren gepleegd. Een paar jaar later werden de vervallen en inmiddels nutteloze ziekenbarakken afgebroken.

De leprozenkapel werd tegelijk met de nederzetting gebouwd in de 15e eeuw. In latere eeuwen werd ze verschillende keren verbouwd. Het betreft een klein halgebouw van breuksteen, met vakwerk boven in de gevel en boogramen aan de koorzijde onder een schilddak en een noktorentje. Bij de binnenmuur van het koor is een altaarstuk te zien met Johannes de Doper als prediker in de woestijn. Naast deze “ziekenkapel” werd een herberg gebouwd, die nog steeds bestaat. Pelgrims en reizigers konden hier eeuwenlang een pauze inlassen. Tegenwoordig kunnen bezoekers hier ook weer eten en overnachten