De Romeinen delfden hier al looderts. Dit is gebleken uit vondsten van Romeinse munten, mijntroggen en lampen en uit oude geschriften. Keltische muntvondsten wijzen zelfs op prehistorische mijnbouw. De oudste oorkonde over de winning van metaalerts dateert uit 1394. In die tijd mocht iedereen erts delven, maar men moest er wel belasting over betalen aan de landheren.
De uitvinding van de "zakkenmand", waarmee materiaal ter plaatse werd gezeefd en vervolgens naar boven werd getransporteerd, zorgde voor een boom halverwege de 15e eeuw. Van 1470 tot 1530 strekte de mijnbouw zich uit over de hele loodberg. De eerste bergverordening maakte in 1578 een einde aan de ongereguleerde winning. De kleine zelfstandigen kregen nu kleine velden. Tegen het einde van de 16e eeuw begon de mijnbouw echter te haperen omdat grondwater de winning van diepere lagen belemmerde. Vanaf 1630 kon het water worden afgevoerd.
Na de Franse overname werden de verdeling van vergunningen en de mijnbouwwetgeving in 1805 gereorganiseerd. Ook stegen de loodprijzen. Tussen 1860 en 1910 ontwikkelde de loodmijn zich tot een van 's werelds belangrijkste delfstofbedrijven.
In 1937 nam het bedrijf Preussag de productie over. Tijdens de Tweede Wereldoorlog schuilden er soms wel 5000 mensen in de mijngangen en in de schuilkelder was zelfs een ziekenhuis met een operatiekamer ondergebracht. De mijnbouw stopte in 1957 vanwege de scherpe daling van de loodprijzen en omdat het erts moeilijk toegankelijk was. Het mijnmuseum, geopend in 1995, wordt beheerd door een vriendenvereniging